![]() |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In dit boek beschrijft Jaap Riemens het bewogen leven van een papierhandelaar die eigenlijk rabbijn had willen worden: Meijer Groen (1915), wiens naam onlosmakelijk verbonden is met de Joodse Gemeente van Zutphen. In 1932 kwam hij naar deze stad, waar de joodse gemeenschap hem met open armen ontving. Hij kwam dagelijks in de sjoel en vond werk bij papierwarenfabriek Holland. Die onderneming ging eind jaren ’30 ter ziele en Meijer begon voor zichzelf. In 1940 brak de oorlog uit. Toen alle joden uit de provincie weg moesten dook Meijer onder in Amsterdam, samen met zijn vrouw Roosje, met wie hij in ‘42 trouwde. Ze werden verraden, opgepakt en gedeporteerd naar Westerbork. Na 15 maanden werden de Groens in beestenwagons vervoerd naar Theresienstadt, waar honger, ziekte en dood altijd op de loer lagen. Na de bevrijding bouwde Groen alles weer vanaf de grond op: zijn zaak, de Joodse Gemeente en zijn eigen leven. Zijn oorlogsverleden heeft hij naar eigen zeggen geheel verwerkt; als hij niet kon slapen, lag hij eindeloos alles te reconstrueren. Enkele jaren nadat zijn vrouw overleed besloot Meijer Groen zich permanent in Israël te vestigen. In 1940 hoorde Meijer als gemobiliseerd soldaat de Duitse vliegtuigen overkomen. ‘Dat overleef ik wel.’ zei hij. Het is altijd zijn parool gebleven. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Mail een vriend |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||

